|
|
|
Home > BanyuMili > Reijnsdorp... Bakkie |
|
|
|
|
Boeken
verkrijgbaar bij KITLV Leiden
|
Reijnsdorp... Bakkie
Het lied van ons mooi
Reijnsdorp. Rechts van de Matapica
Het laatste dorp, dat vanuit Paramaribo per boot via eerst de Suriname, de Commewijne rivier en vervolgens de Matapicakreek is te bereiken, heet Reijnsdorp. Er zijn geen autowegen naar Bakkie. Want zo heet Reijnsdorp in de volksmond. Per fiets vanuit Paramaribo kon je wel en was het bovendien ook heel erg gezellig. Als je tenminste met z'n tweeën gaat. Of de zandweg van Rust en Werk naar Bakkie nu nog begaanbaar is, weet ik niet. Maar de herinnering ligt nog vers in het geheugen. De reis van Paramaribo naar Bakkie. Eerst per bootje de Suriname rivier over naar de plaats Rust en Werk en vandaar uit de reis voortzetten langs smalle zandwegen. Dertig kilometer of iets meer, vele kleine dorpen langs of er door fietsen, links en rechts dichte oerwoud. Hier en daar open plekken en een verlaten dorp. Of een niet meer gecultiveerde landbouwgrond. De zon scheen voelbaar heet op je huid als sambal op een overheerlijke Javaanse loempia. Fietsen deed men niet 's avonds, want de nacht was echt de nacht, er was geen elektriciteit en was het dan ook hartstikke pikkedonker. Het gesjirp van de vogels die met elkaar probeerden te communiceren, misschien wilden ze wormpjes van elkaar bietsen. Een geritsel, wat was het? Een slang die plots de zandweg overstak, een hagedis of was het een groot dor blad dat eerst zachtjes naar beneden dwarrelde, kronkelend tussen de bomen en haar rust op een droge plek op de zachte grond vond. Nu en dan een tegenligger, een fietser, een bromfietser of een voetganger. Of een groep vermoeide kinderen die van school, onderweg naar huis liepen. Even stoppen, een amicaal babbeltje met een kleine landbouwer. Of even een flesje fris bij een dorpswinkel. Zo was het vroeger. Nu zijn
vele
van die idyllische dorpen overwoekerd door het tropische oerwoud. Reijnsdorp, Bakkie dus, is voor het grootste deel 'opgegeten' door de
vele plantensoorten van het tropische regenwoud. De steiger, aanlegplaats van de
reguliere rivierbootdienst, is armetierig, zo bouwvallig. 'Prrrrroeoeoeoem'. Aan het geluid van de hoorn kon je horen: "No no na a 'Paramaribo é doro", riep een Creoolse vrouw tegen de in sarong gehulde Javaanse die naast haar stond en smakelijk een dot groente met hete pindasambal in haar mond duwde. Petjel was dat, een Javaanse lekkernij... of was het meer heternij! Het was de bloeiperiode van Bakkie. In de periode van mijn jeugd, van 1955 tot 1962. Bakkie heb ik op mijn twaalfde verlaten om in de stad de beroemde Sint Paulusschool te bezoeken. Bakkie kende een voetbalclub, Bakkie Sportclub met een eigen heuse voetbalveld. BSC, zo stond het op de shirts, was de trots van de voetbalfanaten van Bakkie. Regelmatig werkten ze competities af en niet zelden werden zij plaatselijk kampioen. Als er weer een wedstrijd was op het eigen terrein, dan was het feest. Meestal werd het op zondag gespeeld. Dus iedereen in hun zondagse kleren. Want er kwamen bezoekers uit een ander dorp. Bakkie was welvarend, dus dat zouden de bezoekers het weten ook. Men moest over een bruggetje om op het voetbalveld te komen, maar eerst een stuivertje, vrijwillig, in een blikje met een gleufje. Een concarde als bewijsstuk kreeg je op je borst gespeld. Leuk, roodwitte concarde, dat waren de kleuren. Dat vonden de kinderen best mooi . Bakkie is een Javaans dorp. Aan de rand woonden er wel Hindoestanen en Creolen. Een enkel Creoolse familie woonde ongeveer in het midden van het dorp. Johnny, een creoolse jongen, zat bij mij op school, in dezelfde klas als ik. Trouwens, er was maar één lagere school in de buurt. Kinderen kwamen van heinde en verre om daar op school te gaan. Van Aliance, Constantia en Bruinendaal. Schitterende namen voor Surinaamse dorpen, anders dan Santigron of Bigi Poika. Aan het einde van de bloeiperiode had Bakkie ook een mulo-school gekend, alleen voor de eerste klassers. Bakkie heeft geleerden geleverd aan de maatschappij. Sommigen hebben universiteiten in Nederland bezocht en daar afgestudeerd. Bakkie mag best trots zijn op hun Javaanse kinderen. Javaanse kinderen met hun mooie Javaanse taal, van huis uit meegekregen van de ouders. De Javaanse taal met haar beleefdheidsvormen. Prachtig. En de cultuur niet te vergeten natuurlijk. Ludrug was populair op Bakkie. En de naam van het gezelschap heette Mulya Utama. De ludrug is een toneelvorm over de alledaagse beslommeringen van de kleine mens. Van de kleine Javaanse landbouwers, de rijstplanters op hun eigen landbouwgronden. Wanneer er bij iemand een feest werd georganiseerd, kwamen ze bij elkaar om elkaar te helpen volgens het gotong-royong en rukun principe. Andere cultuuruitingen zijn de wayang kulit en daarvan afgeleid de wayang wong. De tayuban of lèdhèkan is voor velen de manier van ontspannen om de dagelijkse beslommeringen te doen vergeten. Bij al deze cultuuruitingen staat de gamelan muziek centraal. Bakkie was mijn thuis, mijn warme
nest, nu zijn het alleen maar de herinneringen die voortleven. Als de zon ’s
morgens opkwam, begon het dagelijkse leven op gang te komen. Kinderen maakten
zich op voor de gang naar school. Baden, eerst water halen uit de put met een
emmer en dan die leeggieten in een tobbe. Met een klein kommetje gemaakt van
kalebas goot je het water zo over je lichaam. Sommige kinderen aten ’s morgens
al rijst als ontbijt, De kinderen van 'rijke' ouders kregen vijf centen voor wat
lekkere snacks van de warung. Uit de verte zag je een klein groepje kinderen,
het werd groter naarmate die groep de school naderde. Ik woonde drie kilometer
van de school. Het was vijf dagen in de week drie kilometer heen en drie terug,
op blote voeten. Iedereen plantte rijst in de regentijd. Eerst worden de sawa's gereedgemaakt. Er werd gebruik gemaakt van het 'sambatan' principe. Men nodigde een aantal dorpsbewoners om te helpen wieden op de sawa's. Het water stond je tot aan de knie. Na hard werken was het tijd om gezamenlijk te gaan eten. Iedereen kreeg een bord met rijst met vis en groenten of wat anders. Dan ging iedereen naar huis, want het ruwe werk was al geklaard. De volgende dag op naar de volgende sawa. Misschien wel van de buurman aan de overkant van het kreekje. Of ergens anders, twee kilometer verder. Zo werden de sawa's van de kleine landbouwers voor de rijstplant gereedgemaakt. Zo was het leven op Bakkie: iedereen hielp iedereen, niet alleen met werken, maar ook met eten. Eten stond centraal, er was altijd eten in huis. Al was het maar een pot gekookte rijst. Maar Bakkie is niet meer
de Bakkie uit mijn tijd. Bakkie is bijna leeg. Iedereen is vertrokken
uit Bakkie. Jongeren zijn er ook niet meer te vinden. Bakkie is oud en
bejaard. Ook ik heb Bakkie in de steek
gelaten. Op mijn twaalfde. Ook mijn vriend Semar
heeft Bakkie de rug toegekeerd. |