Overzicht

Suriname

Immigratie

Taal

Cultuur

 Theater

Muziek

Literatuur

Archief

Voorpagina

Webmaster

BanyuMili

Mondiaal Overzicht Javanen in Diaspora

Basa Jawa

Bahasa Indonesia

MultiMedia

Guestbook

SiteMap

 

JAVAANSE CONTRACTARBEIDERS IN SURINAME

Mondiaal Overzicht Javanen in diaspora
Javaanse contractarbeiders in Suriname
Javaanse Surinamers in diaspora
Dit is Mijn Verhaal

  

 

 

 

 
 

Elk volk of etnische groepering kent in zijn geschiedenis momenten waarop zij of hij trots is. Gebeurtenissen die belangrijk zijn voor de eigen identiteit. Deze gebeurtenissen worden daarom ook regelmatig (vaak ieder jaar) herdacht. Zo is voor de Surinaamse Javanen met historisch besef, 9 augustus een belangrijke datum.
De Surinaamse Javanen hebben uiteraard ook hun oudste geschiedenis die via Suriname teruggaat naar het verre Indonesië. Dit is het land vanwaar onze ouders of voorouders als immigranten naar het koloniale Suriname, vaak in miserabele omstandigheden, werden verscheept. Dit om als contractarbeiders (ook met kinderarbeid) op de plantages tewerk te worden gesteld.
De geschiedenis van de "Surinaamse Javanen" echter begint op 9 augustus 1890, toen de eerste immigranten voet aan wal zetten op Surinaamse bodem. Deze immigranten brachten in hun bagage een rijke cultuur mee o.a: adat, traditie, religie, taal, eetgewoonten, kleding, zang, dans en muziek.
Voor de Javaanse jongeren dreigt de geschiedschrijving over de immigratie in het vergeetboek te geraken: wat weten de Javaanse jongeren nog over onze ouders of voorouders die een periode van ontberingen ( zware arbeid, karige lonen, veel belediging en minachting voor het leven) hebben meegemaakt als Javaanse immigrantarbeiders?

 

 

 

 

Afschaffing slavernij

Op 1 juli 1863 werd de slavernij in Suriname afgeschaft. In Suriname ontstonden er daardoor nog grotere problemen met het toch al nijpende arbeidstekort. Hierdoor werd het steeds moeilijker om de plantages draaiende te houden. Ondanks het ingestelde staatstoezicht op de ongeveer 140 plantages die Suriname in 1863 telde, verlieten vele voormalige slaven de plantages om zich in Paramaribo te vestigen. Lang voor de afschaffing van de slavernij in Suriname was het al duidelijk geworden dat de vrije slaven niet op de plantages wilden blijven werken. Nederland was op dat moment een van de laatste kolonisatoren die de slavernij afschafte, en had die ontwikkeling kunnen zien aankomen bij de Britse en de Franse koloniën.

 

 

Chinezen en Hindoestanen

In het jaar 1808 werd de slavenhandel door Engeland verboden. Daardoor ontstond ook in Suriname uiteindelijk een steeds groter wordend tekort aan arbeidskrachten. Dit tekort trachtte men op te heffen door aanvoer van arbeiders uit het buitenland. Reeds in 1853 werden er uit Java en Madeira, Chinese respectievelijk Portugese landarbeiders aangevoerd. Zij werden op bepaalde plantages tewerkgesteld. Het ronselen van Chinezen eindigde in 1873. Met de immigratie van de Chinezen en de Portugezen was in Suriname tevens de basis gelegd voor een multiculturele samenleving. De aanvoer van Chinese en Portugese landarbeiders bleek echter niet voldoende om het tekort aan plantagearbeiders op te heffen. Hierdoor ging men Hindoestaanse arbeiders aanvoeren uit de Engelse koloniën, waar de slavernij al in 1833 was afgeschaft. Deze aanvoer van Hindoestaanse immigranten werd mogelijk gemaakt door een in 1870 gesloten traktaat tussen de Nederlandse en Engelse regering. Op 5 juni 1873 betraden de eerste Hindoestaanse immigranten uit de Engelse kolonie Brits Guyana de Surinaamse bodem. In 1917 werd onder druk van de nationalistische bewegingen in Brits-Indie het traktaat opgezegd.

 

 

Komst Javanen

De eerste Javanen gingen vanuit Indonesië niet rechtstreeks naar Suriname. Met de Prins Alexander en de Prins Willem II werden ze naar Nederland verscheept. Daar stapten ze over in de Koningin Emma. Op 9 augustus 1890 arriveerde de Koningin Emma met 94 Javaanse contractarbeiders in de haven van Paramaribo. Het betrof 61 mannen, 31 vrouwen en 2 kinderen. Deze eerste Javaanse contractanten waren in de vorm van een experiment en op particulier initiatief naar Suriname aangevoerd. Dit experiment bleek geslaagd te zijn, waarna de Javaanse immigratie van overheidswege ter hand werd genomen. Op deze manier werd de continuïteit van het aanbod aan arbeidskrachten in Suriname gewaarborgd. Het volgende schip, het S.S. Voorwaarts, verliet Java met 614 Javanen aan boord en meerde op 16 juni 1894 in Paramaribo af.

Tijdens de overtocht moesten de contractanten op deze en andere boten vaak zware ontberingen doorstaan. Daarbij vielen meer dan eens doden. Dat gebeurde ook tijdens de overtocht met het S.S. Voorwaarts. Het schip was overbevracht en niet goed ingericht op personenvervoer. Het resultaat was dat van de 614 opvarenden uit Nederlands-Indië er 64 mannen, vrouwen en kinderen stierven, en twee kinderen dood werden geboren. Van de 64 slachtoffers stierven er overigens 32 tijdens de overtocht. Direct na aankomst in Paramaribo werden 85 personen in het ziekenhuis opgenomen, van wie nog eens 32 mensen als gevolg van de miserabele omstandigheden tijdens de reis, kwamen te overlijden. Niemand werd vervolgd en de toenmalige minister van koloniën ging niet verder dan de kwestie ‘’ten zeerste te betreuren’’. Hij sprak desondanks zijn waardering uit voor de Handel Maatschappij die de verscheping geheel belangeloos verrichtte. De kwestie werd maar zo snel mogelijk vergeten, want het betrof toch alleen maar arme onbelangrijke mensen.

Van 1890 tot 1939 werden er zo ongeveer 33.000 Javaanse contractarbeiders aangevoerd. De immigratie van Javanen eindigde in 1939 door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Van de Javaanse contractarbeiders zijn er ruim 7.500 na afloop (of na een verlenging omdat er geen retourboot beschikbaar was na afloop van hun eerste contract) teruggekeerd naar Nederlands-Indië. Ook in latere jaren konden velen de roep van het vaderland niet weerstaan; zo keerden in 1954, nadat Indonesië onafhankelijk werd, ongeveer 1.000 personen terug. Daarnaast vestigden er zich ongeveer 150 Javanen in Frans Guyana. Velen hadden nog tot de onafhankelijkheid van Suriname de Indonesische nationaliteit.

 

 

Atbeidscontract tekenen

 

De Javaanse contractarbeiders moesten een contract tekenen waarin hun rechten en plichten waren opgenomen. De meest belangrijkste clausules waren:
1. De contractant moet vijf jaren werken, zes dagen in de week; per dag zeven uren op het land en tien uren in de fabriek.
2. Het dagloon voor mannen ouder dan 16 jaar bedraagt 60 cent. Vrouwen en kinderen tussen de 10 en 16 jaar kregen 40 cent per dag.
3. De werkgever was onder geen enkele omstandigheid verplicht de contractanten te onderhouden. Wel moest bij de contractanten voor de eerste drie maanden proviand verstrekken, welke dezen later terug dienden te betalen.
4. Na afloop van de contractperiode had de contractant het recht op een vrije overtocht naar het land van herkomst.

Na vervulling van de vijfjarige werkovereenkomst kon men ook het contract verlengen en op de plantage blijven. In zo’n geval ontvingen de Javanen een bonus van 20 gulden voor elk jaar dat zij langer bleven. De immigranten die om een of andere reden besloten om zich na afloop van het contract permanent in Suriname te vestigen kregen een stukje grond. Daarnaast kregen ze de 100 gulden repatrieëringsgeld terug.